Niveaus

Ons lesprogramma is verdeeld in verschillende niveaus of studieseizoenen.

Hieronder vindt u een overzicht van de leerstof die per seizoen geleerd wordt.

Spaans - Beginners 1

  • Het alfabet.
  • Begroeten en afscheid nemen.
  • Zich en iemand anders voorstellen (naam, afkomst, beroep, leeftijd, woonadres, enz).
  • De tegenwoordige tijd van het werkwoord ZIJN en de werkwoorden van de eerste Spaanse vervoeging (uitgang -AR).
  • Het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk woorden.
  • De lidwoorden.
  • De telwoorden (tot 1000).
  • Vragen naar het aantal personen en de hoeveelheid van iets aangeven.
  • Het werkwoord ZIJN.
  • Werkwoorden en bijwoorden die plaats aanduiden.
  • De weg vragen.
  • De kloktijden.
  •  De prijs vragen en zeggen.
  • Vervoersmiddelen.
  • Vervoersbewijs aanschaffen.
  • De werkwoorden VERTREKKEN – GAAN – AANKOMEN.
  • Tegenwoordige tijd van de werkwoorden van de 2de en 3de vervoegingen (- ER, - IR)
 

Spaans - Halfgevorderd 2

  • Telefoneren
  • De toekomende tijd met het werkwoord GAAN als hulpwerkwoord.
  • Afspraken maken.
  • De kalender. Data lezen.
  • Woorden spellen.
  • Een hotelkamer reserveren en beschrijven.
 

Spaans - Gevorderd 3

  • Delen van het huis beschrijven en leren praten over de woonplaats.
  • De vergrotende en verkleinende trap.
  • De overtreffende trap (de superlatief).
  • Telwoorden vanaf 1000 …
  • Geografische, culturele en andere gegevens van landen aangeven.
  • Het weer en jaargetijden.
  • Oefenen met de verschillende gebruiken van het werkwoord ESTAR.
  • Het gerundio (onvoltooid deelwoord). De Presente Continuo tijd.
  • De kleuren en kledingstukken
  • Mensen beschrijven in uiterlijk en karakter.
  • Familie relaties.
 

Spaans - Gevorderd 4

  • Over de vrijetijdsactiviteiten vertellen.
  • Bijwoorden die tijd aanduiden.
  • Het werkwoord  GUSTAR (Houden van).
  • Persoonlijke lidwoorden als lijdend en meewerkend voorwerp.
  • De voltooid tegenwoordige tijd.
 

Spaans - Gevorderd 5

  • Boodschappen doen en kleding kopen.
  • Het aanwijzende voornaamwoord.
  • De gebiedende wijs.
  • Bestellen in een restaurant.
  • De verleden tijd (el pretérito indefinido).
  • (Auto)biografie opstellen.
  • De onvoltooid verleden tijd (el pretérito imperfecto)
  • Vroegere en hedendaagse gebeurtenissen vergelijken.
  • Reizen, excursies en vakanties beschrijven.
 

Spaans - Gevorderd 6

  • De onvoltooid verleden tijd (el pretérito imperfecto)
  • Vroegere en hedendaagse gebeurtenissen vergelijken.
  • Oefenen van de verleden grammaticale tijden door een verslag te maken van een gebeurtenis (bv een ongeluk).
  • Herhaling van de gebiedende wijs.
  • Leren hoe men een klacht kan indienen (bv tijdens de vakantie).
  • Delen en mankementen van de auto beschrijven en deze naar de garage weten te brengen.
  • Andere verleden tijden (pretérito pluscuamperfecto).
  • Lichaamsdelen. Naar de dokter, dierenarts of apotheek gaan.
  • Het werkwoord DOLER (pijn hebben).
  • De toekomende tijd en voorwaardelijke wijs (el futuro hipotético y el condicional).
 

Spaans - Grammatica en Conversatie. Vergevorderd

  • Boek: Asi es 2 en aanvullend lesmateriaal.
  • Vergroten van woordenschat en verbetering van spreekvaardigheid en andere taalvaardigheden.
  • Oefenen van de verschillende grammaticale tijden.
  • De aanvoegende wijs.
  • Actuele onderwerpen bespreken.

Futuro del español

En 2030, el 7,5% de la población mundial será hispanohablante (un total de 535 millones de personas), porcentaje que destaca por encima del ruso (2,2%), del francés (1,4%) y del alemán (1,2%). Para entonces, solo el chino superará al español como grupo de hablantes de dominio nativo. Dentro de tres o cuatro generaciones, el 10% de la población mundial se entenderá en español.